In de sporen van Jean de la Fontaine

Links Boeken
Jean de la Fontaine, auteur van de wereldberoemde fabels, werd in 1621 geboren in Chateau-Thierry. In dat stadje aan de oevers van de Marne, op een steenworp afstand van Parijs, was zijn vader een soort opperhoutvester.
De la Fontaine was een laatbloeier. Na zijn middelbare school trok hij in Parijs in bij de monniken van het Oratorium van het Louvre (Rue-Saint-Honoré), maar het religieuze leven was niets voor hem. Het gebouw staat er nog altijd.
Een rechtenstudie rondde hij wel af, maar als advocaat had hij weinig succes. Jarenlang hielp hij zijn vader, die opperhoutvester was, om de kost te verdienen. Ondertussen schreef hij onder meer toneelstukken en gedichten. Daar viel echter bijna niemand voor.

Portret van Jean de la Fontaine

Jean de la Fontaine, schrijver van fabels.

Daar kwam verandering in toen hij een gedicht opstuurde naar Fouquet, minister van financiën van koning Lodewijk de Veertiende. Fouquet werd zijn beschermheer en nam hem zelfs in dienst.
Fouquet liet echter een imposant paleis bouwen: Vaux Le Vicomte, nabij Mélun. La Fontaine beschreef het kasteel in De droom van Veaux. Fouquet werd echter slachtoffer van politiek gekonkel en de jaloezie van de zonnekoning. Die zette hem gevangen tot zijn dood. Vervolgens liet hij een jachthuisje tot paleis verbouwen. Dat opgepimpte jachthuis is nu wereldberoemd: het paleis van Versailles.

Bij gebrek aan beschermheer raakte De la Fontaine in geldnood. Bovendien drong hij er bij de koning op aan clement te zijn voor Fouquet, wat niet in goede aarde viel. Het leek hem daarom verstandiger zijn toevlucht te zoeken bij enkele rijke beschermheren in Limoges, in de Limousin.
In 1663, in de Limousin, begon hij fabels te schrijven. Zo zou hij in het stadje Bellac in de Hostellerie de la Pyramide neergestreken zijn om daar 'De koets en de vlieg' te schrijven. Vanaf de Rue Porte Trilloux kan men de helling van Lorette zien, waarop de paarden uit deze fabel een koets bergop trokken. Het gebouw van de hostellerie bestaat nog steeds. Het is particulier bezit; alleen de gevel kan bekeken worden.
Al snel keerde hij terug naar Chateau-Thierry, zijn geboortestad. Daar maakte hij kennis met de hertogin van Bouillon, die hem in contact brengt met de hertogin van Orleans. De laatste haalt hem weer naar Parijs om haar te vermaken in het Palais du Luxembourg. La Fontaine ontspande zich in de tuinen van het paleis en ging veel om met schrijvers als Racine en Molière. Na de dood van de hertogin van Orleans vindt hij onderdak bij de bankiersdochter Madame de Sablière aan de rue Neuve-des-Petit-Champs.

La Fontaine ontleende zijn fabels aan de Griekse oudheid. Tegelijkertijd waren ze echter persiflages op het luxe leven van de adel, waaraan hij zelf overigens enthousiast deelnam. De fabels werden direct enorm populair, behalve dan bij Lodewijk de Veertiende. De koning probeerde persoonlijk te voorkomen dat de schrijver verkozen zou worden tot lid van de in zeer hoog aanzien staande Academie Française. De roem van De la Fontaine was inmiddels echter al zo ver gestegen dat dat niet meer lukte.

De grafsteen van Jean de la Fontaine bevindt zich tegenwoordig op de begraafplaats Père Lachaise in Parijs, maar dat is niet de plek waar hij begraven werd. Dat gebeurde op de Begraafplaats van de Onschuldigen, die in 1786 gesloten werd. Die lag in het eerste arrondissement, daar waar nu de Place des Innocents is.

Fabels van Jean de la Fontaine bij Bol.com